Jason Thomars hield niet van regen. Had er nooit van gehouden, zolang hij het zich kon herinneren niet. Eén van zijn vroegste herinneringen was schreeuwend over straat gedragen worden door zijn moeder tijdens een onverwachtse stortbui. Het verhaal van de zondvloed had hem wekenlang nachtmerries bezorgd, en nu nog werd hij zo nu en dan midden in de nacht wakker uit een droom waarin hij langzaam de hele aarde zag onderlopen. Meestal, als hij uit zo'n nachtmerrie wakker werd, hoorde hij de regen tegen de ruiten kletteren, en altijd was er dan even de angst dat het, ditmaal, geen droom was...
En nu regende het. Al weken. Niet non‑stop, natuurlijk niet, maar de keren dat het langer dan een uurtje achter elkaar droog bleef, waren op één hand te tellen. De hele maand was al natter dan gemiddeld en de winter was nog ver te zoeken. Dat werd geen witte kerst dit jaar.
En ook deze ochtend hoorde Thomars het alweer regenen nog voordat hij de gordijnen open deed. Het liefst was hij direct weer in bed gekropen. De dekens over zich heen trekken, tegen Anna zeggen dat hij ziek was... Niemand die zich daarover zou verbazen. Tenslotte lag half Nederland met griep op bed. Maar hìj had geen griep, al wenste hij nog zo hard het tegendeel, en hij had een winkel te runnen. Nu, zo vlak voor de feestdagen, kon hij niet wegblijven, regen of niet.
Met tegenzin kleedde hij zich aan. Het grootste deel van zijn ontbijt liet hij staan en zijn vrouw keek hem bezorgd aan: "Ben je wel in orde?"
Thomars verborg een korte aarzeling achter een slok koffie. "Ja hoor, schat," zei hij toen manmoedig. "Niets aan de hand. Alleen dat pestweer van de laatste tijd... alleen al daarvan zou je schijtziek worden." Hij kwam overeind.
"Tuttut, wat een taalgebruik," zei Anna. "Overigens, als je nu niet weggaat, kom je echt te laat."
Thomars bromde een antwoord en stapte de kamer weer in, gehuld in een leren regenjas die bijna tot de grond reikte, kraag hoog opgezet, leren handschoenen al aan. Zijn paraplu hield hij in zijn ene hand geklemd en de autosleutels in de andere. Vluchtig gaf hij Anna een kus en liep de gang door.
Nog voordat hij de buitendeur geopend had, had hij zijn paraplu al opgestoken. Hij sloeg de deur achter zich dicht en rende door de regen naar zijn auto. Vlug het portier opendoen, paraplu dicht, en hij was weer veilig. Thomars greep de handdoek, die hij gisterenavond al op de passagiersstoel naast hem had klaargelegd, en veegde de paar druppeltjes water die ondanks alles op zijn gezicht waren gevallen, weg. Die eeuwige vervloekte regen! Waarom hadden ze dan ook geen eigen garage, zoals elk fatsoenlijk mens in Nederland! Dan zou deze hele ellende tot het verleden behoren.
Thomars legde de natte paraplu op de achterbank, zo ver mogelijk van hem vandaan ‑ het was al erg genoeg dat het buiten nat was ‑ en reed weg. Na een klein uurtje reizen, waarvan hij meer dan een half uur in de file doorbracht, reed hij de parkeergarage van het winkelcentrum in. Zo! Nu hoefde hij niet meer bang te zijn voor de regen, in elk geval niet meer tot zes uur.
Toen hij een uur later de winkel open deed, stond er al een klein groepje mensen te wachten. Hun paraplu's, nu dichtgeklapt, dropen nog van het water.
"Tsjonge, het is me het weertje wel, hé?" zei een vrouwtje, haar regenkap naar achteren schuivend. Thomars onderdrukte een zucht. Variaties op dit thema zou hij de hele dag wel weer moeten aanhoren ‑ de regen was nu eenmaal gespreksonderwerp nummer één de laatste tijd. "Nòu," zei hij bevestigend.
"Ja," knikte het vrouwtje, "En er komt ook geen einde aan, hé? Mag ik een half wit van je?" De dag was weer begonnen.
De hele dag bleef het rotweer. Zo nu en dan hield het even op met regenen, en eenmaal ‑ net in het halve uurtje dat Thomars pauze nam om een krant te kopen ‑ brak een waterig zonnetje door. Nog voordat de zon weer verdwenen was, begon het alweer te regenen.
Thomars stapte snel onder de overkapping voor de winkels en keek naar boven, de wolken vervloekend. Het gaatje waardoor de zon scheen, werd al weer kleiner. Thomars keek de andere kant op, maar zag geen regenboog. Op dat moment verdwenen de laatste zonnestralen en kletterde de regen weer feller neer. Thomars rende haastig zijn winkel in.
Nu had hij de tijd om even een blik op de krant te werpen. Grote koppen sprongen hem tegemoet: "Water stijgt snel ‑ Regen bezorgt automobilisten grote overlast ‑ Overstromingen in Limburg ‑ Overheid zegt: Geen reden tot ongerustheid." Met een zucht sloot Thomars de krant. Het scheen dat waar hij ook keek, hij met de regen geconfronteerd werd. De radio, die zacht op de achtergrond stond te spelen, bood ook geen soelaas: in het vorige journaal was al gewaarschuwd voor een dreigende dijkverzakking. Dat kan nog leuk worden, had Thomars gedacht: de polder lag minstens vijf meter lager dan het hen omringende water. Maar zo'n vaart zou het wel niet lopen. De polder stond vol met gemalen, en experts hadden verzekerd dat zelfs als er een dijkverzakking optrad, het water sneller zou worden weggepompt dan dat het binnen zou stromen.
De volgende klant die binnenkwam droop letterlijk van de regen. Het water stroomde aan alle kanten van hem af, uit zijn kleren, uit zijn haren en zelfs zijn schoenen sopten met iedere stap. Desondanks lachte hij vrolijk om Thomars' misprijzende blik. "Tsjongejonge, het lijkt de zondvloed wel," grijnsde hij.
Die woorden schokten hem heftiger dan de koppen in de krant. Die koppen, het radiobericht: dat waren abstracties, dingen die hem op zich wel aangingen maar die hem alleen maar hinderden omdat ze hem zo onafwendbaar herinnerden aan wat hij juist wilde vergeten. Dit, deze opmerking, was veel harder, veel directer – zijn nachtmerrie, uitgesproken door een vreemde.
"De zondvloed?" vroeg hij hees.
Weer lachte de man. "Nou! Het regent er hard genoeg voor!"
Hij probeerde de beelden van zijn dromen uit zijn hoofd te bannen. Het water dat maar steeg en steeg, langzaam maar onafwendbaar... "Ach kom," zei hij schor. "Dat zal toch wel niet?"
"Nou..." zei de man, maar pretlichtjes dansten in zijn ogen. Het was Thomars een raadsel hoe iemand zo opgewekt kon zijn met dit weer. Hij mompelde een nietszeggend antwoord en hielp de man snel. Daarna werd het gelukkig weer rustig in de zaak.
Het zou nu wel niet meer druk worden ook. Over een uur was het sluitingstijd. Nog één keer de regen trotseren en dan was hij voor de rest van het weekend weer veilig.
Hij was al begonnen met de zaak op te ruimen, toen het tot hem doordrong dat de geluiden buiten waren veranderd. Het water ruiste niet meer op de straat, het klaterde nu. Een korte blik naar buiten was voldoende om te zien wat er aan de hand was: de straten stonden blank.
"Oh, verdomme," kreunde Thomars. Ook dat nog! Zolang het maar niet zijn winkel in zou lopen. Hij kon zich nog levendig de beelden herinneren van de overstroming een paar jaar geleden, toen de rivier buiten haar oevers getreden was. De ondergelopen winkels, de zandzakken overal, de puinhoop toen het water weer gezakt was.
Maar dit was natuurlijk heel wat anders. Door al die regen van de laatste tijd konden de afwateringsbuizen het water niet meer verwerken en stroomden over. Geen wonder dat de boel dan blank stond!
Wel, het was toch al sluitingstijd. Opgelucht sloot Thomars de deur en deed het winkellicht uit. Hij zag niet hoe het water zacht tegen de stoep voor zijn deur klotste, er overheen sloeg... Op het moment dat Thomars de achterdeur uitstapte en naar zijn auto liep, sijpelden de eerste druppels zijn winkel in.
In de garage zelf was het nog droog, maar toen Thomars de helling afreed en op de begane grond arriveerde, moest hij al door een laagje water van enkele centimeters heen rijden. Ook in de straten stond het water nu behoorlijk hoog. Het water steeg wel érg snel.
Nu werd Thomars echt bang. Het leek wel alsof hij in een van zijn nachtmerries terecht gekomen was. Manmoedig reed hij door, iets wat niet gemakkelijk was met het stijgende water. Als hij maar op tijd de snelweg zou kunnen bereiken, voordat de wegen echt onbegaanbaar werden...
Maar zover kwam hij niet. Voorzichtig reed hij de bocht om ‑ en trapte op zijn rem. Met wijdopengesperde mond staarde hij naar de metershoge vloedgolf die op hem afkwam. Nu wist hij het zeker: de dijk was doorgebroken. Dit was geen dijkverzakking, dit was veel heftiger. De polder liep vol. Er was geen pompen, geen redden meer aan.
Op het moment dat hij zich dat realiseerde, had de vloedgolf hem al bereikt en opgetild. Eén ogenblik had Thomars een verschrikkelijk uitzicht over de ondergelopen stad. De regen kletterde nog steeds neer, de metershoge golven werden opgezweept door de storm, maar tegelijkertijd scheen de ondergaande zon, die het schouwspel verlichtte met een gruwelijke helderheid. Er was nog steeds geen regenboog. Vreemd genoeg was Thomars niet bang meer.
Toen overspoelde een nieuwe golf de auto die, niet bestand tegen het geweld van de elementen, kantelde en volliep. Dus toch de zondvloed, dacht Thomars zonder verbazing. Het was zijn laatste gedachte.
Het water stroomde door, geen mens kon meer zeggen hoelang. Het overspoelde alle straten en wegen, sloeg de dijken aan stukken, bedolf de steden. Tenslotte was er niets anders meer te zien dan een ononderbroken watervlakte. Niets bewoog meer. Niets leefde meer. En nog altijd ruiste de regen...