Charles was niet in orde. Wat er precies was, wist niemand, ook hijzelf niet. Maar hij had nergens zin in. Natuurlijk ging hij braaf naar school, deed daar wat hij doen moest, en daarna ging hij dan weer braaf naar huis. Dan liep hij naar zijn kamer en zat daar niets te doen. Hij wilde nooit meer buiten spelen, of lekker voetballen met z'n vrienden, of rolschaatsen of skeeleren in de zon, of naar het zwembad.
"Maar Charles, wat is er dan?" vroegen zijn ouders. "Heb je soms ruzie gehad op school? Wordt je soms gepest?"
"Nee," zei Charles. "Dat is het niet."
"Maar wat is het dan wel?" vroegen zijn ouders wanhopig.
Daarop kon Charles alleen maar zijn schouders ophalen en zeggen: "Ik weet het niet."
Dat ging zo een tijdje door. Eerst een paar dagen, toen een paar weken. De herfstvakantie kwam en nog steeds zat Charles thuis, stilletjes en lusteloos. Zijn vlieger, waar hij vroeger zo vaak mee speelde, had hij al in geen tijden aangeraakt. De spelletjes die op de computer lagen waren bedekt met een dikke laag stof en de computer zelf? Hij zou niet eens weten of het ding het nog deed, en het kon hem niet veel schelen ook. Zelfs zijn lievelingsboeken las hij niet meer.
Halverwege de vakantie keken zijn ouders elkaar aan. "Dit kan zo niet meer," zei zijn moeder, hoofdschuddend, zodat de korte krulletjes van haar haar om haar hoofd heen sprongen en dansten. Zijn vader moest niet, zoals gebruikelijk, lachen toen hij dat zag, zijn gezicht stond somber en ernstig.
"Nee," zei hij. "Er moet iets gebeuren. Maar wat?"
"Misschien dat ik wat weet," zei moeder.
Zijn vader keek haar hoopvol aan.
Even later stonden ze met z'n tweeën in Charles' kamer. "We hebben een idee," zei Charles' vader.
"Oh ja?" vroeg Charles, zonder veel interesse. "Wat dan?"
"Ga eens naar oom Jan en vraag of je de Sterrepoort mag lenen."
"De wàt?" vroeg Charles.
"De Sterrepoort," herhaalde zijn moeder. "Ik weet ook niet precies wat het is. Weet je nog waar oom Jan woont?"
Jan was een broer van moeder, een beetje zonderlinge man. Hij kwam nooit op verjaardagen of op de koffie, maar zo nu en dan kwam hij ineens aanwaaien met de noorderwind. Dan bleef hij een tijdje, een middag of soms een hele dag, en vertelde allerlei verhalen. Soms had hij ook iets bij zich voor Charles: een glitterbal die de wereld grappig deed vervormen als je erdoorheen keek, waardoor je soms dingen zag die er helemaal niet konden zijn, of een poster voor aan de muur van een fantastisch land waar alles zweefde. Een keer maar had Charles gevraagd waar Jan al die spullen toch vandaan haalde en toen had Jan inderdaad gezegd: "Door de Sterrenpoort." Dat was hij al weer helemaal vergeten!
"Maar wat is die Sterrepoort dan voor iets?" vroeg Charles.
"Ik weet het zo niet precies.." zei zijn moeder met een lichte aarzeling in haar stem. "Maar Jan kan je daar alles over vertellen. Weet je het alleen te vinden of wil je dat we meegaan?"
Charles sprong op om zijn schoenen aan te gaan trekken, en zijn jas. "Nee hoor," zei hij. "Ik vind het wel alleen."
En zo liep Charles vroeg in de morgen van de vierde dag van de herfstvakantie naar oom Jan. Het was nog best een heel eind: eerst moest hij met de bus, totdat de bus niet meer verder ging, en daarna moest hij nog een heel stuk lopen. Jan woonde midden in het bos, op een open plek op een heuvel, waar bijna nooit iemand kwam.
Naarmate hij dichterbij kwam, ging Charles steeds langzamer lopen. Hij begon te aarzelen. Wat zou Jan er wel niet van zeggen dat hij zomaar ineens voor zijn deur stond? Zijn ouders konden hem niet gebeld hebben want Jan had geen telefoon. "Ik houd niet van die moderne rinkeldingen," zei hij altijd. "Als mensen me nodig hebben weten ze me wel te vinden." Maar wat als hij nou niet thuis was?
Het was een prachtige herfstdag, de zon speelde met de blaadjes van de bomen en verfde ze in alle kleuren, rood, geel, lichtgroen met gele vlammen, bruin. Wat als Jan nu net een lange wandeling aan het maken was, of misschien net op het punt stond om weg te gaan, en helemaal geen zin had in het bezoek van zijn kleine neefje? Dan had hij die hele reis voor niets gemaakt, en misschien zouden zijn ouders hem wel uitlachen ook, omdat hij niet naar de Sterrepoort had kunnen vragen…
En zelfs al was Jan er! Dan nog, hoe lang geleden was het wel niet dat hij Jan gezien had? Dat was toch zeker een jaar terug, als het niet meer was. Wat moest hij dan zeggen? 'Dàg oom Jan, mag ik je Sterrepoort lenen?' De man zou hem toch uitlachen, of op z'n minst zeggen dat als Charles 'm alleen maar kwam bezoeken om iets van hem te willen, hij net zo goed meteen weer op kon zouten. Charles zuchtte.
Vooruit maar! Hij was al zo dichtbij, hier achter dit pad naar rechts en dan de heuvel op. In elk geval hield hij er een mooie wandeling aan over.
Hij sloeg af naar rechts en begon aan de laatste, steile klim, de heuvel op. De heuvel zag er hoog en dreigend uit en Charles werd al moe als hij aan de klim dacht. Maar nauwelijks had hij drie passen op het smalle paadje tegen de heuvel op gezet of de wind stak op in zijn rug. Het was net alsof de wind hem een flinke zet gaf naar boven en voordat hij het wist stond hij voor de deur van het huis van oom Jan.
De deur was grappig beschilderd, net als de kleuren van de blaadjes van het bos: rood en geel als vlammen, en groen, en bruin. Aarzelend stak Charles zijn hand uit en klopte.
Meteen zwaaide de deur open, en daarachter stond oom Jan met een brede lach op zijn gezicht. "Charles! Daar ben je dan!"
"Huh? Hoe wist u dat ik kwam?" stotterde Charles. "Ik.. eh.. mijn moeder.. eh.. ik kwam alleen maar even.."
"..aanwaaien," lachte Jan. "Natuurlijk kwam je dat. Het is toch zuidenwind?"
"Oh ja?" zei Charles.
Jan had zich al omgedraaid en liep met zijn gebruikelijke grote, verende passen naar binnen. Jan zelf was een lange, magere man die nooit stil leek te kunnen zitten, altijd bewoog er wel iets aan hem: zijn haren, die eigenlijk te lang waren en net zo om hem heen stuiterden als de krullen om het hoofd van Charles' moeder, of zijn neus, alsof Jan iets grappigs rook, of zijn benen. "Wat wil je drinken?" vroeg Jan vanuit zijn kleine keukentje. "Chocola of thee?"
"Thee," zei Charles meteen. "Het is veel te mooi weer voor chocola."
"Daar heb je ook gelijk in," vond Jan en vanuit de keuken klonken de vertrouwde geluiden van theewater die in een ketel werd geschonken, gerommel met blikken waar de thee in zat, getinkel van glazen. Even later kwam Jan weer naar buiten met een groot dienblad waar twee glazen op stonden, een grote pot honing en een nog grotere pot thee.
"Zo," zei Jan tevreden en schonk twee glazen in. Een andere oom was nu vast begonnen met 'En, Charles, hoe is het met je ouders?' of met 'Goh jong, wat ben je toch groot geworden'. Jan niet. Hij dronk zijn thee met kleine slokjes en zat geduldig te wachten totdat Charles wat zou zeggen. Wanneer hij zelf op bezoek was vertelde hij altijd verhalen, dus, had hij ooit eens gezegd, wanneer mensen bij mij op bezoek zijn, is het niet meer dan fair dat zij mij verhalen vertellen.
En dat deed Charles. Het duurde even, maar toen begon hij te vertellen. Eerst langzaam en houterig, vertelde hij over die rare lusteloosheid, dat nergens zin in hebben van hem. Hij vertelde hoe lang het al duurde en hoe akelig dat voelde, en dat niemand hem kon helpen, en dat hij zelf ook niet wist wat hij eraan moest doen. Het was merkwaardig, maar toen hij eenmaal echt aan het vertellen was, kwamen de woorden ook, als in een grote waterval. Alsof alles wat hij al zo lang op had gespaard er nu in een keer uitkwam.
Hij vertelde hoe hij van zijn moeder had gehoord van de Sterrepoort, en dat dat was waarom hij hier nu was. En zo had hij, eigenlijk voordat hij het wist, de vraag gesteld waar hij zo bang voor was. Het glipte eruit voordat hij het zelf in de gaten had: "…en toen zei mam dat ik je dan maar moest vragen of we 'm mochten lenen…"
Verschrikt hield Charles zijn adem in en keek Jan aan. Nu zou hij…
De blauwe ogen met de groene vlekjes erin keken ernstig terug. "De Sterrepoort…" herhaalde Jan langzaam. "Dat is even wat. Die kun je niet zomaar lenen."
"Maar oom Jan," vroeg Charles. "Wat is de Sterrepoort eigenlijk?"
"Hmm…" zei Jan, nog steeds op die ernstige toon. "Inderdaad, dat kun je niet weten. Die heb je nooit gezien natuurlijk. Nou, het je laten zien kan geen kwaad. Als je je thee ophebt, laat ik je de Sterrepoort zien."
Haastig dronk Charles zijn thee op. Jan kwam overeind, nog steeds langzaam en bedachtzaam, en ging hem voor door de gang, de trap op, door de gang boven. Tenslotte kwam hij bij de laatste deur van de laatste gang en deed die open. "Hier is de Sterrepoort," zei hij, en stapte naar binnen.
Charles liep achter hem aan en keek om zich heen. De kamer was best wel groot, met lichtblauw geverfde muren en een donkerblauw plafond met allemaal sterren. Maar de kamer was volkomen leeg, op een ding na. Het zag eruit als een deurpost zonder muur eromheen of een deur erin. Verder was er niets bijzonders aan te zien… behalve dat aan de bovenkant van de deurpost drie sterren waren geschilderd, de middelste iets groter dan de andere twee.
"Dat is 'm?" vroeg Charles, een beetje teleurgesteld.
Jan glimlachte. "Dat is 'm nou."
"Oh.." zei Charles aarzelend. Dat was nou de Sterrepoort? Gewoon een beschilderde deurpost, dat was alles!
Jan keek Charles aan, nog steeds met dat kleine glimlachje. "Dacht je dat?" zei hij zachtjes. "Loop er maar naar toe en kijk er doorheen. Niet er doorheen stappen hoor, pas op!"
Schouderophalend liep Charles naar de deurpost toe en keek. "Ik zie nog steeds gewoon de kamer…" zei hij.
"Je moet er recht voor gaan staan," wees Jan aan.
Charles schudde zijn hoofd en schuifelde een eindje opzij. En keek nog eens.
En toen… viel zijn mond open van verbazing. Want in plaats van de kamer die hij net nog zag, de lichtblauwe muur en een stukje van het raam, zag hij nu ineens:
Een weids heuvellandschap met een groot meer in het midden, een bos dat de heuvels hier en daar bedekte en stralend groene velden, een rivier die vanuit het meer stroomde en zich dansend en glinsterend in de zon door de heuvels kronkelde en tenslotte in de verte verdween. Het landschap leek zo echt, zo mooi, dat Charles het liefst er doorheen zou stappen, door de heuvels zelf te lopen en naar het meer toe te gaan, daar in te zwemmen of te vissen, daarna lekker te gaan liggen in het gras en zich te laten drogen in de zon…
"Niet er doorheen stappen hoor, pas op!" fluisterde het in zijn hoofd.
Charles draaide zich om met opengesperde mond. Jan stond vlak achter hem en glimlachte. "Ik… Ik zag het!" riep Charles uit met een lach.
De korte krullen stuiterden om Jan's hoofd toen hij zich voorover boog naar zijn neefje. "Ik wìst dat je het zou kunnen zien!" riep hij uit. "Je bent een ware zoon van je ouders."
Nog steeds gapend van verbazing draaide Charles zich weer om, om nog een keer te kijken. Jan's hand rustte op Charles' schouder.
Maar deze maal zag Charles:
dat de heuvels waren verdwenen. In plaats daarvan zag hij een enorme vlakte van ijs, ijs zover je kon zien, een grote vlakte met in de verte, heel in de verte, torenhoge bergen die zich uitstrekten als scherpe tanden tegen de diepblauwe lucht. Een witte zon stond laag boven de bergen en deed het ijs schitteren als kristal, de bergen als diamant. Het felle zonlicht stroomde over zijn voeten de kamer in. Charles keek achterom en zag, een moment lang, zijn eigen schaduw op de muur – maar toen hij weer naar de poort keek, was het landschap weer verdwenen.
"Huh?" riep Charles verbaasd uit. "Net zag ik… en nu… Hoe kan dat nou?"
"Kom mee naar beneden," zei Jan, "dan vertel ik je de rest."
Even later zaten ze weer beneden aan hun tweede kop thee.
"Maar hoe zit dat nu met de Sterrepoort?" vroeg Charles. "Ik heb er twee keer in gekeken en ik zag twee verschillende dingen."
"Je kunt er honderd keer in kijken en honderd verschillende dingen zien," zei Jan. "Erin kijken is een ding, maar je kunt er ook nog in stappen. En dat is het verradelijke… want als je aan de andere kant staat en je kijkt dan door de poort, dan kun je òòk honderd keer kijken en honderd keer iets verschillends zien. En da's best lastig als je gewoon weer naar huis wilt."
"Maar hoe doe je dat dan?" vroeg Charles. "Want jij bent wel eens door de Sterrepoort geweest, dat heb je zelf verteld. En die kadootjes die je me gegeven hebt komen daar ook door vandaan, zei je."
"Dat klopt," zei Jan rustig. "Er zit een soort.. handigheid achter. Je moet precies weten waar je naar toe wilt, maar dan ook geen seconde aarzelen. Dan verschijnt wat je wilt zien, en dan kun je heen en terug. Daarom laat ik zelf de Sterrepoort ook altijd in dezelfde kamer staan. Dan weet ik precies hoe het eruit ziet en hoe ik erdoor terug moet."
"Kan… kan ik het ook een keer proberen?" vroeg Charles.
Jan keek Charles een tijdje aan over de rand van zijn theeglas. "Weet je zeker dat je dat wilt?" vroeg hij tenslotte.
"JA!" riep Charles. Hij voelde zich zo enthousiast als hij zich in geen maanden gevoeld had. Hij voelde zijn hele lichaam tintelen alsof hij zojuist ontwaakt was uit een droom die al maanden duurden. Zijn gedachten waren levendiger en helderder dan ooit. Zijn ogen straalden, zijn hele wezen was doortrokken van verlangen. Nogmaals zag hij voor zijn ogen de groene heuvels en het meer dat schitterde in de verte, nogmaals zag hij de vlakte van ijs en de bergen die glinsterden als diamant.
"Nou, dan moesten we de Sterrepoort maar 'ns meenemen, niet?" zei Jan, en zette zijn kopje neer. "Zullen we gaan? De wind is toch mooi gedraaid."
"Gaan? Waarheen? Door de Sterrepoort? Nu?"
"Nee, natuurlijk niet," glimlachte Jan. Hij stond op en liep langzaam naar boven. "Als jij door de Sterrepoort wil stappen moet je natuurlijk terug kunnen naar een plek die jij het beste kent. En dat is jouw kamertje, thuis. Dus moeten we de poort daar mee naar toe nemen. Snappie?"
En zo stapten Charles en Jan een paar uur later weer bij het huis van Charles naar binnen, Jan met de Sterrepoort onder zijn arm. "Hoi Annemarie, hoi Peter," zei hij tegen Charles' ouders. "Hier zijn we dan, mét de Sterrepoort."
"Geweldig!" zei moeder. "Wat leuk dat je ook bent meegekomen, Jan. Blijf je eten?"
"Dat zullen we zo wel zien," zei Jan. "Eerst wil ik Charles laten zien hoe de Sterrepoort werkt."
Zijn ouders keken elkaar aan. "Blijven jullie niet te lang weg?" vroeg zijn moeder, kijkend naar Charles. Ze zag hoe diens ogen straalden, hoe ze zwierven tussen de beschilderde deurpost en de deur van zijn kamer, ze zag hoe hij leek te branden van ongeduld om maar te kunnen vertrekken. Het was zo lang geleden dat ze hem zo had gezien, dat haar hart een beetje pijn deed.
"Natuurlijk niet," zei Charles. "Wat eten we vanavond, mam?"
"Gehakttaart met friet."
"Oh, lekker!" zei Charles. "Dan zijn we vast wel op tijd terug. Zullen we, oom Jan?"
Jan knikte. Voor zijn oom uit liep Charles naar zijn kamer. Die was akelig netjes en opgeruimd, want de spullen waren al in geen tijden uit hun kasten en van hun planken gekomen. Zijn bureau was leeg.
"Nou," zei Jan. "Waar zullen we 'm neerzetten?"
"Hier, in het midden van de kamer?" zei Charles.
"Da's goed." Jan zette de Sterrepoort neer. "Nou moet je 'm draaien zoals je 'm zelf het liefst wilt hebben. Zodat je als je er doorheen zou kijken, je precies weet hoe alles eruit ziet, tot in de kleinste details. Dat is heel belangrijk."
"Oh, da's makkelijk," zei Charles prompt, en draaide de deurpost een beetje. En toen nog een klein beetje. Hij keek met een kennersoog naar de poort en knikte toen. "Kijk, als we er doorheen stappen en we kijken erdoor, dan zien we precies mijn bureau en de boekenplanken, en een stukje van het raam. Dat is waar ik altijd naar keek als ik op mijn bed zat en geen zin had om iets te doen. Dan keek ik daar ook altijd naar. Dat beeld kan ik dromen."
"Heel goed," zei Jan. "dat is de belangrijkste stap. Maar nu moet ik nog weten of je het ook echt kunt." Hij ging op zijn hurken voor zijn neefje zitten. "Weet je die poster nog die ik je ooit gegeven hebt?"
"Die poster bedoel je?" vroeg Charles, die zich al om wilde draaien om 'm aan te wijzen. Razendsnel hield Jan hem tegen.
"Die poster achter je, ja. Hoe vaak heb je die bekeken?"
"Oh, zo vaak! Vroeger lag ik er wel eens naar te kijken als ik in bed lag, en dan droomde ik dat ik daar was en ook kon zweven, net als de mensen op die poster. En dan viel ik in slaap en soms was ik daar echt, zo leek het althans."
"Dus je kunt je die poster goed voor de geest halen? Alle details?"
"Ik denk het wel," zei Charles.
"Goed," zei Jan met een diepe nadruk in zijn stem. "Sluit je ogen, Charles." Langzaam kwam hij overeind en legde beide handen op de schouders van Charles. "Concentreer je op die poster. Probeer 'm helemaal te herinneren. Zo volledig mogelijk." Ondertussen draaide hij Charles langzaam om, zodat hij zich nu recht voor de Sterrepoort bevond. "Kun je het zien?" fluisterde Jan. "Kun je het je herinneren?"
"Ja.." fluisterde Charles zachtjes. En toen zei hij het harder. "Ja. Ja, ik kan het me herinneren. Ja!" En op dat moment deed hij zijn ogen open.
In de Sterrepoort, achter de Sterrepoort, in een lucht zo roze als die van een suikerspin, zweefden mensen. Mensen, en bomen met twee uiteinden van groen, rare grote kristalachtige rotsen die zich kilometers ver uit leken te strekken, de lucht die naar boven toe steeds bleker werd en naar beneden toe steeds donkerder, lichtroze donkerroze paars dieppaars diepblauw tot bijna zwart. Er zweefden rare beesten die eruit zagen als levende vliegers met een kop en twee handjes en een dubbele staart, maar zonder strikje. Er waren kleine ronde dingen die leken op frisbees die zich razendsnel voortbewogen en grote gasvormige drijvende ballonnen met in het midden een groot droevig oog dat nooit knipperde of bewoog.
Een moment lang was alles bevroren, net als op de poster… en toen begon alles te bewegen, een van de frisbeedingen flitste voorbij, een van de mensen dreef in zicht en kwam langzaam naar ze toe gezweefd, en wuifde.
"NU!" zei Jan, pakte Charles bij de hand en stapte door de poort heen.
En nu waren ze er echt! Ze zweefden! Charles gilde van angst en van plezier en klemde zich vast aan Jan. Ze buitelden rond, zodat de hele lichte zuurstoklucht eerst boven was en het bijna zwarte beneden, en toen was het omgekeerd, en toen weer gewoon. De zwevende mensen die ze net nog hadden gezien lachten, maar het was geen spottende lach.
"Jan!" riep een van hen, met een raar, zangerig accent. "Wat leuk je weer te zien! Dat is lang geleden! En wie is dat kleine vriendje dat je bij je hebt?"
"Dat is Charles, mijn neef," vertelde Jan.
"Hallo Charles!" riep de zwevende man en kwam langzaam naar hen toegevlogen. "Hoe vind je het hier?"
"kbeneenbeetjedraaierig," zei Charles.
Met een glimlach strekte de zwevende man zijn handen uit en stopte Charles midden in zijn draai. Op het moment dat ze elkaar aanraakten kreeg Charles een klein schokje, alsof hij heel, heel zwak schokdraad aanraakte. "Dan moet je ook niet gaan koppeltje duiken voordat je je luchtbenen hebt," zei hij. "Overigens, nu weet ik wel hoe jij heet maar jij weet niet hoe ik heet. Ik heet Arnamadarana." Hij liet Charles los en maakte een sierlijke buiging, midden in de lucht. "Leuk dat je ons bent komen bezoeken. Blijven jullie lang?"
"Niet zo heel erg lang," zei Jan. "Ik heb Annemarie beloofd dat ik Charles op tijd voor het eten zou terugbrengen."
"Jammer," zei Arnamadarana (Charles vond dat hij een verschrikkelijk mooie naam had). "Misschien is het inderdaad wel het beste om hier de eerste keer niet zo lang te blijven. Maar je komt toch wel vaker terug, hé Charles?"
Charles knikte. Nu hij eindelijk stil hing kon hij Arnamadarana wat beter bekijken. Zo van dichtbij zag hij er eigenlijk uit als een heel gewoon mens… en tegelijkertijd ook helemaal niet. Zijn haar was kort en blond en springerig, zijn huid leek wat bleek, maar misschien dat dat wel kwam door die roze lucht. Zijn ogen waren van een hele aparte kleur, soms leken ze wel paarsig, het volgende moment diepgrijs of bijna zilver. Hij was gekleed in een heel strak pak, wat een beetje leek op dat wat de acrobaten in het circus droegen. Iedereen, zag hij, was hier zo gekleed, ook de mensen die hij wat verderop zag zweven. Pas toen hij wat beter keek, zag hij tussen de armen en benen van de mensen een heel vaag regenboogkleurig half doorzichtig schijnsel glinsteren. Als Arnamadarana met zijn armen of benen bewoog, dan gingen er nauwelijks zichtbare regenboogkleurige golfjes bewegen.
De man zag goedkeurend dat Charles daarnaar keek. "Daarmee kunnen we sturen," zei hij. "Kijk." Hij vouwde zich heel klein op, sprong toen plotseling omhoog en zwaaide zijn armen en benen wijd uit. Hij was net een duiker die zich afzette vanaf de kant van het zwembad, alleen was er hier geen zwembad, en geen kant om zich vanaf te zetten. Arnamadarana begon door de lucht te buitelen en te draaien, maakte allerlei figuren, speelde met de vliegerwezens en buitelde rond tussen de frisbeedingen, maakte salto's en deed dingen die geen vogel, geen acrobaat hem ooit na zou kunnen doen. Charles keek toe met ingehouden adem, fluisterde alleen maar: "Wow…"
En terwijl Jan aan het praten was met een paar van de zwevende mensen, kwam Arnamadarana naar Charles toe gevlogen en begon hem wat te laten zien, hoe je een beetje kon sturen, hoe je kon zweven van kristallen spiraal naar spiraal. En al die tijd bevond zich, soms vlak bij, soms ver weg, de Sterrepoort, die ook zweefde in de lucht.
Plotseling, midden in een duizelingwekkende zwaai, was daar oom Jan. "Charles, het is tijd om terug te gaan, je moeder zit te wachten met het eten." Hij pakte Charles bij de hand en zette zich af tegen een van de kristallen, en zo zweefden ze pijlsnel terug naar de Sterrepoort. Daar hield Jan Charles stil. Aan de andere kant van de poort zag Charles:
een enorm zwart uitgestrekt veld, bezaaid met witte stipjes, alsof je naar de sterren keek maar dan zonder de lucht ertussen, geen getwinkel maar een eindeloos uitzicht dat maar door en door leek te gaan. Heel in de verte leek een van die sterren wat groter te worden, nog wat groter, nog wat groter… Iets reusachtigs en ronds leek recht op hen af te komen. Charles had een hoop science-fiction films gezien maar dit leek daar helemaal niet op. Dit leek… wàs… echt.
"Moeten jullie werkelijk alweer weg?" vroeg Arnamadarana treurig achter hen.
"Ja… maar we komen echt een keer terug, ik beloof het!" zei Charles.
Naast hem klonk de zachte stem van Jan. "Concentreer je, Charles. De Sterrepoort staat in jouw kamer nu, niet in de mijne. Jij bent de enige die ons thuis kan brengen."
Charles sloot zijn ogen en probeerde zijn kamer te herinneren. Maar iedere keer als hij zich het uitzicht vanaf zijn bed wilde herinneren, voelde hij weer hoe hij met Arnamadarana door de lucht buitelde, voelde hij de wind weer in zijn haren, zag hij de rare bomen in de verte voor zich, de heldere kleuren van de kristallen waartussen ze zoeven nog gespeeld hadden, de regenboog-glinstering van de vleugels van Arnamadarana's pak…
"Ik… het lukt me niet!" fluisterde hij geschrokken.
Jan raakte hem zacht aan en Charles opende zijn ogen. Even gingen zijn ogen weer richting de Sterrepoort, maar in plaats van zijn vertrouwde kamer zag hij deze keer een vreemde stad met torenhoge flats en hoge bruggen als spinnewebben die zich uitstrekten van toren naar toren-
"Ik kan het niet! We zitten hier vast!" riep hij in paniek.
"Nee." Jan's stem klonk zo rustig alsof ze nog steeds in zijn kamer thee zaten te drinken. "Je kunt het wel."
"Maar ik probeerde het net… Ik zag… Ik…" stotterde Charles.
Jan ging voor hem hangen en legde zijn handen weer op Charles' schouders. "Doe je ogen dicht en luister naar mijn stem."
Charles deed zijn ogen dicht en gehoorzaamde. Jan begon te fluisteren, dingen in Charles' kamer te beschrijven, het bed, het kleed op de vloer, zijn bureau… en terwijl hij praatte, zag Charles de dingen voor zijn ogen groeien alsof Jan de kamer aan het schetsen was in zijn herinnering… de stille computer met de bestofte spelletjes op de monitor, de boeken die netjes zij aan zij stonden in een rij, de kleurige sterrenmobiel aan het plafond, zachtjes bewegend in de wind… Jan was allang gestopt met praten, maar dat was ook niet meer nodig. Charles voelde de kamer om zich heen, net zo echt alsof hij daar alweer terug was, hij kon bijna de stemmen van zijn ouders door de deur heen horen, kon bijna de gehakttaart ruiken.
"Ja…Nù," fluisterde hij, pakte Jan's hand beet en stapte door de deur heen.
"Charles? Jan? Zijn jullie al terug? Het eten is klaar hoor!" was het eerste wat hij hoorde.
Tijdens het eten keek Jan Charles aan.
"En, hoe vond je het?"
"Geweldig!!" riep Charles met stralende ogen.
Jan keek naar Peter en Annemarie en knipoogde. "Dan wil je de Sterrepoort vast wel een tijdje lenen."
"Lenen?" Charles keek Jan aan met vragende ogen. "Mag dat echt? Heb jij 'm dan niet meer nodig?"
"Ik kan wel een tijdje zonder de Sterrepoort hoor," zei Jan met een glimlach. "Jij hebt 'm op dit moment harder nodig dan ik."
"Graag dan!" riep Charles, en zonder zich verder nog om zijn eten te bekommeren sprong hij op en gaf Jan een knuffel, en dat terwijl hij zich meestal veel te groot voelde om mensen nog te knuffelen. Deze keer mocht het.
En zo komt het dat er middenin Charles' kamer een rare, geverfde deurpost staat met drie sterren aan de bovenkant, de middelste een beetje groter dan de andere twee. Wanneer er nu wel eens vrienden komen, snappen die niet wat dat ding nou midden in zijn kamer doet. Maar dat is alleen omdat als zij er doorheen kijken, er niets gebeurt. Ze zien alleen maar de andere kant van de kamer en verder niets. Maar zijn vrienden hebben dan ook geen oom Jan die aan komt waaien wanneer het noordenwind is, en geen moeder wiens haren altijd om haar hoofd heen dansen wanneer ze lacht…